Hoe je fouten opspoort als je niet de resultaten behaalt die je verwachtte
Door Raymond Schoeman
Laserontharing is wereldwijd nog steeds de meest uitgevoerde esthetische laserbehandeling. Geen wonder dus dat steeds meer mensen, van therapeuten tot ondernemers, zich in deze branche wagen. Vaak beginnen ze vol enthousiasme – mede dankzij de mooie praatjes van verkopers – maar de praktijk blijkt soms weerbarstiger. Wat doe je als de resultaten tegenvallen en je niet weet waar het misgaat?
Toen ik zelf begon, had ik het geluk samen te werken met een zakenpartner die als ingenieur gespecialiseerd was in het opsporen van systeemfouten. Wat ik van hem heb geleerd, heeft mij enorm geholpen om mijn behandelingen te verbeteren en mijn klanten de beloofde resultaten te leveren.
De eerste – en misschien wel belangrijkste – stap in het oplossen van problemen is: informatie verzamelen. Hoe completer en nauwkeuriger je gegevens, hoe sneller je kunt achterhalen wat er misgaat én hoe je het kunt oplossen.
Maak er dus vanaf dag één een gewoonte van om elke behandeling zorgvuldig vast te leggen. En dan bedoel ik: élke cliënt, élke sessie. Wat moet je dan precies noteren bij laserontharing?
Wat je minimaal moet bijhouden:
-
Beschrijving van het behandelgebied (één keer noteren, tenzij er iets verandert).
-
Comfortniveau van de cliënt – was het gevoel anders dan normaal?
-
Wat de cliënt aangaf na de vorige behandeling – klachten, opmerkingen, etc.
-
Aantal pulsen per sessie, inclusief eventuele extra’s.
-
Gebruikte fluentie (energie-instelling) – ook eventuele aanpassingen en waarom je ze hebt gedaan.
-
Pulslengte – noteer ook eventuele aanpassingen tijdens de behandeling, en waarom.
-
Frequentie van de pulsen.
-
Spotgrootte – vooral als je apparaat instelbaar is.
-
Gebruik van verdoving of lokale anesthesie.
-
Welke modus van het apparaat is gebruikt (als je apparaat verschillende modi heeft).
Waarom resultaten soms tegenvallen
De meest voorkomende reden is een verkeerde combinatie van fluentie en pulslengte. Om haar goed te kunnen vernietigen, moet er voldoende energie (fluentie) op het juiste moment (pulslengte) worden afgegeven.
-
Pulslengte is meestal makkelijk te corrigeren. Voor haarverwijdering wil je zo dicht mogelijk bij 400 milliseconden zitten. Kan jouw apparaat maximaal 50 ms aan? Werk dan op 50, niet op 40.
-
Fluentie wordt beïnvloed door meerdere factoren, zoals jouw techniek. Je cliënt moet tijdens de puls iets voelen – warmte, een lichte prikkel. Geen gevoel? Dan is er vaak ook geen effect. Te veel gevoel of pijn? Dan zit je mogelijk te hoog en loop je risico op huidbeschadiging.
Wat beïnvloedt de fluentie?
-
Snelheid van je handbeweging – te snel bewegen betekent dat je energie spreidt over een te groot gebied.
-
Pijntolerantie van de cliënt – soms werk je onbewust op een te lage stand.
-
Overlap tussen pulsen – een vierkante spot heeft ongeveer 20% overlap nodig, een ronde gemiddeld 50%. Te weinig overlap? Dan ontstaan er open plekken.
-
Gebruik van gel – alles tussen de laser en de huid beïnvloedt de effectiviteit van het licht.
Hoe controleer je of je voldoende pulsen hebt gebruikt?
Neem bijvoorbeeld een oksel: dat is ongeveer 7 bij 16 cm, oftewel 112 cm². Werk je met een spot van 2 cm², dan heb je minimaal 68 pulsen nodig (112 gedeeld door 2, plus 20% extra voor overlap).
Gebruik je een ronde spot van 18 mm diameter (ongeveer 2,5 cm²)? Dan kom je uit op zo’n 67 pulsen (112 gedeeld door 2,5, plus 50% extra).
Pas wel op: bij de glijdende techniek kun je voldoende pulsen hebben, maar als je die vooral aan de randen van het behandelgebied afgeeft, krijg je mogelijk kale plekken in het midden.
Tot slot
Werk je met een kwalitatief goed apparaat? Dan lost deze eenvoudige controle in 80% van de gevallen je probleem op. Voor de overige 20% is verdieping nodig. Investeer in gevorderde trainingen die verder gaan dan alleen het bedienen van je apparaat. Alleen dan kun je je klanten echt topresultaten bieden – en je praktijk écht laten groeien.
