Hoe je de resultaten van laserontharing optimaliseert zonder je apparaat te vervangen
Door Raymond Schoeman
Veel therapeuten denken dat betere resultaten alleen te behalen zijn met betere apparatuur. Maar de waarheid is: je hoeft je machine niet direct te vervangen om je behandelingen te optimaliseren. Begrijpen hoe laserontharing werkt en waarom bepaalde instellingen het verschil maken, is vaak al genoeg om je resultaten naar een hoger niveau te tillen.
Laten we eens kijken naar de wetenschap achter laserontharing – en hoe jij daar slim gebruik van kunt maken.
Het doel: de dermale papil uitschakelen
Bij laserontharing draait alles om het vernietigen van de haarkiemcellen (dermale papil) – een kleine, maar krachtige structuur aan de basis van het haarzakje. Deze papil is het ‘brein’ achter haargroei: zonder actieve papil, groeit er geen haar meer terug.
Maar de laser raakt de papil niet direct. In plaats daarvan richt de laser zich op melanine – het pigment in het haar. Melanine absorbeert het laserlicht en zet dat om in warmte. Die warmte verplaatst zich vervolgens via de haarschacht naar de papil, en als de temperatuur daar hoog genoeg oploopt én lang genoeg aanhoudt, sterft de papil af.
Het haar werkt dus als een soort verwarmingsstaafje – vergelijkbaar met het element in een waterkoker. Het element zelf warmt op, en die warmte wordt doorgegeven aan het water eromheen. Maar als de warmte niet krachtig genoeg is, of niet lang genoeg blijft, wordt het water nooit echt heet – en in jouw geval: blijft het haar gewoon terugkomen.
Wat bepaalt of de behandeling werkt?
Er zijn drie factoren die bepalen of je behandeling succesvol is: golflengte, energie en tijd. Deze drie werken altijd samen – en het optimaliseren van één ervan zonder de andere mee te nemen, levert vaak weinig op.
1. Golflengte – het juiste licht op de juiste plek
Melanine absorbeert licht het best in een golflengte tussen 600 en 1100 nanometer (nm). Gelukkig zitten de meeste moderne laserapparaten al standaard in dit bereik. Hoe dichter je bij het piekabsorptiepunt van melanine zit, hoe efficiënter de energie wordt opgenomen door het haar.
Maar dat is niet alles. De huid bevat óók melanine – vooral bij mensen met een donkere huid. Dus als je de verkeerde golflengte gebruikt, loop je het risico dat de energie ook door de huid wordt opgenomen. Dat kan pijn, verbranding of hyperpigmentatie veroorzaken. Daarom is een juiste balans tussen golflengte en huidtype cruciaal voor veiligheid én resultaat (Gonçalves, 2021).
2. Energie – genoeg ‘power’ op de juiste plek
De energie van je laser (uitgedrukt in J/cm², oftewel fluence) bepaalt hoeveel warmte er ontstaat. Maar hier zit een uitdaging: slechts een deel van de hitte die je opwekt, bereikt daadwerkelijk de dermale papil. De rest raakt verloren in de opperhuid en langs de haarschacht.
Te weinig energie betekent dus: te weinig hitte daar waar het nodig is. En in sommige gevallen kan te weinig energie zelfs een averechts effect hebben – het stimuleert de haarcyclus in plaats van die te stoppen (Sarkar & Hirsch, 2007).
De oplossing? Begin met de aanbevolen instelling van de fabrikant, en verhoog vervolgens stapje voor stapje tot je een niveau bereikt waarbij je cliënt een voelbare ‘snap’ ervaart – een kort moment van warmte dat nog steeds goed te verdragen is.
Tegelijkertijd is het belangrijk dat je de huid goed beschermt. Want zoals eerder genoemd: de epidermis absorbeert ook energie. Daarom is koeling essentieel – via contactkoeling, cryo-spray of koude lucht. Het beschermt de huid, vergroot het comfort van de cliënt en laat je toe om veiliger met hogere fluence te werken (Brauer et al., 2015).
3. Tijd – lang genoeg verwarmen voor een blijvend effect
Vroeger werd er vooral gekeken naar de zogenaamde Thermal Relaxation Time (TRT) – de tijd die het haar nodig heeft om de helft van zijn warmte kwijt te raken. Dat ligt tussen de 10 en 100 milliseconden, afhankelijk van de haardikte.
Maar we weten nu dat het concept van Thermal Damage Time (TDT) nog belangrijker is. TDT verwijst naar de tijd die nodig is om niet alleen het haar, maar ook het omliggende haarzakje – inclusief de papil – voldoende te verhitten om schade aan te richten. En die tijd ligt aanzienlijk hoger: tussen de 200 en 400 milliseconden (Dierickx & Anderson, 1997).
Wat betekent dit in de praktijk? Je moet werken met lange pulslengtes. Gebruik dus altijd de langst beschikbare pulsduur van je apparaat, zeker als die richting de 400 ms gaat. Korte pulsen zijn misschien krachtig, maar ze geven het haarzakje niet genoeg tijd om op te warmen – met incomplete of tijdelijke resultaten tot gevolg.
De kracht zit in kennis, niet alleen in apparatuur
In de meeste gevallen ligt het probleem dus niet bij het apparaat, maar bij de manier waarop het gebruikt wordt. Door te focussen op de juiste instellingen – afgestemd op huidtype, haarkleur en locatie – kun je jouw resultaten drastisch verbeteren. Zonder nieuwe investeringen. Alleen met meer inzicht.
Bronnen
Brauer, J. A., Reddy, K. K., & Geronemus, R. G. (2015). The safety and efficacy of picosecond lasers for tattoo removal. Lasers in Surgery and Medicine, 47(2), 98–102. https://doi.org/10.1002/lsm.22324
Dierickx, C. C., & Anderson, R. R. (1997). Selective photothermolysis: A new approach to the treatment of vascular lesions. Journal of Investigative Dermatology Symposium Proceedings, 2(1), 61–64. https://doi.org/10.1038/sj.jidsp.5640194
Gonçalves, S. (2021). Properties and parameters for effective laser hair removal: A review. Our Dermatology Online, 12(4), 454–456. https://doi.org/10.7241/ourd.20214.25
Sarkar, P., & Hirsch, R. J. (2007). Update on laser hair removal. Cosmetic Dermatology, 20(7), 441–446.
